„vinden“: werkwoord vindenwerkwoord | Verb v Vue d'ensemble de toutes les traductions (Pour plus d'informations, cliquez sur/touchez la traduction) finden finden vinden vinden exemples elkaar vinden sich finden elkaar vinden iets goed/slecht vinden ook | aucha.iets | etwas etwas für gut/schlecht halten iets goed/slecht vinden het wel vinden ook | aucha. sich zurechtfinden het wel vinden te vinden zijn sich finden te vinden zijn het kunnen vinden met zurechtkommen mit (datief, 3e naamval | Dativdat) sich vertragen mit (datief, 3e naamval | Dativdat) het kunnen vinden met er iets op vinden eine Lösung (of | oderod einen Ausweg) finden er iets op vinden voor iets te vinden zijn für eine Sache zu haben sein voor iets te vinden zijn ik vind er niets aan figuurlijk | figurativ, in übertragenem Sinnfig es gefällt mir nicht, es sagt mir nicht zu figuurlijk | figurativ, in übertragenem Sinnfig ik vind er niets aan figuurlijk | figurativ, in übertragenem Sinnfig wat vind je daarvan? wie findest du das?, was hältst du davon? wat vind je daarvan? ik vind van wel (niet) ich finde schon (nicht) ik vind van wel (niet) masquer les exemplesmontrer plus d’exemples